In het souterrain van een psychiatrische instelling begon hij als negentienjarige jongen met traditionele Javaanse dans. Hij reisde naar Indonesië om er zich verder in te verdiepen, en tegenwoordig is hij in Hongarije bekend als choreograaf en danskunstenaar. We spraken met Krisztián Gergye, de man die voor Iván Fischer en het Budapest Festival Orchestra een choreografie maakt op De wonderbaarlijke Mandarijn en De houten prins van Béla Bartók.

Hoe wordt een kunstschilder uiteindelijk choreograaf?
Als kind wilde ik kunstschilder en psycholoog worden. Uiteindelijk ben ik in de gezondheidszorg beland, omdat ik met mensen wilde werken. Ik ben een gediplomeerd verpleger, dus ik zou in een ziekenhuis kunnen werken.

Hebt u dat beroep ook uitgeoefend?
Ik heb twee jaar in een psychiatrische instelling gewerkt, maar ik was toen ook al gestart met traditionele Javaanse dans. Tijdens mijn nachtdiensten oefende ik op de gang. Vaak
was het onderscheid tussen patiënt en verpleger niet meteen duidelijk.

Van wie kon u in Hongarije Javaanse dans leren?
Toen ik negentien was, heb ik Bagus Kentus Norontako leren kennen. Hij was in Hongarije om contratenor te worden, maar hij doceerde ook Javaanse dans. Tijdens een workshop werd ik verliefd op die wereld. Ik ben later ook naar Indonesië gereisd, waar ik heel
intensief gewerkt heb.

U bent niet via de normale weg in de wereld van de hedendaagse dans beland.
Een jongeman met buitenlandse ervaring, is een interessante aanwinst voor dansgroepen. Op die manier ben ik in contact gekomen met belangrijke namen in de Hongaarse danswereld. In die tijd was talent ook nog voldoende.

Wat is er nog overgebleven van die invloed?
De Javaanse dans vormt de basis van mijn dans en mijn leven. Die cultuur ziet het menselijk lichaam als een leeg vat dat je aan God overlevert. Sommige bewegingen zie je nu nog terugkeren in mijn choreografieën, maar ik heb wel mijn eigen pad binnen de
kunst bewandeld.

‘Mijn choreografieën moeten meer zijn dan een vertaling van de muziek.’

Hoewel u geen schilder geworden bent, haalt u uw inspiratie toch voornamelijk uit de schilderkunst, bij Bosch, Schiele en Toulouse-Lautrec.
Ik ben geïnteresseerd in hun werken. Ze ontroeren me, ze gaan over belangrijke levensvragen en over persoonlijke tragedies. Zelfanalyse zoals bij Schiele vormt bovendien de basis van mijn bestaan.

Blijkbaar houdt u wel van tragedie.
Dat klopt, maar ook van humor. Vooral in moeilijke situaties. Middelmatigheid
vind ik dan weer niet leuk. We mogen toch wel wat betekenen in het leven!

Is provocatie dan ook toegestaan?
Als ze zeggen dat ik provoceer, dan is dat niet zo bedoeld. Ik stap niet op het podium om mensen aan te vallen. Als ik iemand provoceer, dan is het mezelf wel. Ik tast voortdurend mijn eigen grenzen af.

18_Gergye Krisztián
Krisztián Gergye

U wilt zich niet binden en u wisselt liever af tussen verschillende kunstvormen. Is er eentje toch wat belangrijker dan de andere?
Een poppenspel is een kunstvorm waarin dans, muziek en acteerprestaties belangrijk zijn. Daarin komen al die aspecten samen. Het is een schitterende manier om een dode materie tot leven te wekken.

We hebben het nog niet over muziek gehad.
Muziek verenigt alles onder één dak, ze opent de wereld. Er bestaat voor mij niks beters dan livemuziek, en daarom zijn De wonderbaarlijke Mandarijn en De houten prins met het Budapest Festival Orchestra zo’n grote eer voor me. Dans en muziek samen, een groter
wonder bestaat er niet. Ik kan de muziek niet overtreffen. Ik leef me in door me voor te stellen dat de muziek als bloed door mijn lichaam stroomt.

Wat vindt u van Bartók?
Bartók is de Hongaarse Stravinsky. Vreemd genoeg is hij lange tijd genegeerd, dus ben ik blij dat ik nu de confrontatie mag aangaan. Het is een enorme uitdaging. Ik wil een
geloofwaardige prestatie neerzetten met het Budapest Festival Orchestra. Iván Fischer en ik zijn het er al over eens dat we een ‘theater in het theater’ willen creëren. Het orkest staat ook op het podium, en in het midden komt er een hoger podium waarop de dansers
rechtstreeks door de muziek gevoed worden. Ik benader de voorstelling eerder als een theaterstuk dan als een dansvoorstelling.

‘Ik tast voortdurend mijn eigen grenzen af.’

U hebt vaak als choreograaf gewerkt voor theatervoorstellingen in proza. Heeft dat zijn vruchten afgeworpen?
Ik heb vooral van regisseur Róbert Alföldi geleerd dat je een productie op allerlei manieren kunt benaderen. En ook dat het niet van belang is of je nu proza of danstheater maakt. Alles wat je doet, is een enorme verrijking.

Wie bepaalt de koers, de dirigent of de choreograaf?
We werken naast elkaar. Het gaat er niet om wie de lakens uitdeelt. Ik heb heel veel vertrouwen in Iván Fischer en het Budapest Festival Orchestra en ik bewonder hen enorm. Iván is een open mens, en we hopen allebei dat dit een grootse show zal worden.

Zal er ook fysieke interactie met de muzikanten zijn?
Ik zou die grens graag wat verleggen, ja. Als ik de dirigent aan het werk zie en de muzikanten hoor spelen, heb ik soms zelfs het gevoel dat er geen dansers nodig zijn. Via dans vertellen we het verhaal, maar wel op zo’n manier dat het meer is dan een loutere
vertaling van de muziek.

Adél Tossenberger

DIRK DE WACHTER EN IVÁN FISCHER KIJKEN IN DE ZIEL VAN BLAUWBAARD
In deze editie van het Budapest Festival staan Bartóks drie werken voor toneel centraal. De houten prins en De wonderbaarlijke Mandarijn krijgen een heel nieuwe choreografie, maar ook Hertog Blauwbaards burcht – op donderdag 18 mei – wordt ongetwijfeld een onvergetelijke ervaring. Voor de voorstelling gaat dirigent Iván Fischer – die trouwens perfect Nederlands spreekt – samen met psychiater Dirk De Wachter tijdens een panelgesprek dieper in op de psychologische dimensie van het duistere Blauwbaardverhaal.