Wanneer het ware in de kunst verschijnt: Iván Fischer openbaart Bartóks ‘Hertog Blauwbaards burcht’

Verplichte inleidingen? Melomanen zijn er over het algemeen allergisch aan. Nu meer en meer concertzalen kiezen voor het opdoeken van de mondelinge introductie en/of de geschreven programmatekst, worden allerlei alternatieven bedacht. Zo ook in Concertgebouw Brugge, waar het Budapest Festival, een inmiddels jaarlijks terugkerende formule die het Budapest Festival Orchestra toelaat om het Concertgebouw enkele dagen te monopoliseren, dit jaar geopend werd met een panelgesprek. Gemodereerd door Christina Van Geel gingen psychiater Dirk De Wachter en dirigent Iván Fischer in gesprek over de betekenislagen in Béla Bartóks Hertog Blauwbaards burcht.

Voor wie reeds enigszins vertrouwd was met het werk werden er vooral open deuren ingetrapt, hoewel De Wachter er wel degelijk in slaagde om kernachtig de essentie van de opera onder woorden te brengen. Blauwbaard als een man die enkele kamers van zijn burcht angstvallig gesloten houdt: de psychiater vertaalde dit gegeven naar onuitspreekbare ervaringen uit het verleden die liefde in het hier en nu in de weg staan. Judith is dan weer het symbool van de partner die niet aanvaardt dat liefde pas mogelijk is wanneer haar onmogelijkheid wordt aanvaard – om het opnieuw met een paradox van De Wachter te zeggen.

Het extreem van de zwijgzame, getekende man en de extreem nieuwsgierige vrouw moet wel uitmonden in het failliet van hun potentiële relatie. Inderdaad wordt Judith aan het slot van de opera bijgezet als vierde in de reeks vrouwen die Blauwbaard probeerde te beminnen. Wanneer Judith (Lohengrin-gewijs) de onkenbare ander niet als zijnde onkenbaar durft omarmen, is het einde van de liefde geklonken. Bartók transponeert dat naar een hartroerende finale waarin de muziek als het ware uitsterft. Of hoe onorthodoxe intimiteit het emotionele effect dat doorheen het werk wordt opgebouwd op sublieme wijze maximaliseert.

Fischer en Bartók hebben meer met elkaar gemeen dan louter hun roots. Naadloos voelt de Hongaarse dirigent aan dat de componist het personage van Blauwbaard, dat ontleend werd aan een sprookje van Charles Perrault die op zijn beurt grasduinde in een oude volkslegende, niet alleen via de plot als een kwetsbaar en gevoelig man heeft afgeschilderd, maar ook in de muziek. Als de inleiding ergens tekort schoot, dan was het op vlak van de musicologische analyse. Waarom de muziek niet laten ontleden door de maestro zelf? Het Concertgebouwpubliek bewaart immers uitstekende herinneringen aan de lezing die Fischer ooit gaf over Mahler, humoristische imitatie van de pas van de componist incluis. Niettemin sprak de muziek voor zich. Of liever: Fischer zorgde daar voor.

Fischer nam zelf de rol van verteller op zich, waarbij hij de contextuele aanduiding aan het begin van de partituur luidop reciteerde in het Hongaars. Elders was het de adem van de musici die als een huiveringwekkende tocht doorheen de burcht woei. Dit soort kleine maar dramaturgisch wezenlijke ingrepen gaven het concert een theatrale nabijheid, die noodzakelijk is om de opera ten volle te kunnen ervaren. Omdat het publiek de tekst via ondertiteling kon volgen en omdat zowel leken als kenners uitstekend waren voorbereid, dook de hele zaal in het werk onder. De concentratie die bijgevolg ontstond, was op zijn beurt noodzakelijk om de veelheid aan finesses die het orkest vanzelfsprekend genereerde te kunnen savoureren.

Nooit zocht Fischer naar effecten, altijd construeerde hij gevoelsmatige affecten voorbij het compositorische spektakel. De helderheid en het overweldigende volume van de kopersectie, het technische zowel als atmosferische vernuft van de houten, het spectrum aan gevoeligheden die de strijkers in de tutti’s presenteerden, de gebalanceerde inbreng van het slagwerk: de partituur bleek een ideaal middel om de kwaliteiten van het onvolprezen Budapest Festival Orchestra nog maar eens te vieren. Sinds hun cd-opname van Hertog Blauwbaards burcht voor Channel Classics lijkt het alsof de musici zich keer op keer door de veelvuldige kleuren van dit werk laten verrassen. De verwonderde aandacht, de extatische verrukking, de verbijsterde tragiek en de noodlottige weemoed: het orkest doorleefde het allemaal, en precies dat maakte de uitvoering tot een bijna verstikkend intense ervaring.

Wat puur instrumentaal niet naadloos in de plooi viel, compenseerden dirigent en orkest met esthetische eloquentie. Dat het publiek na afloop unaniem een staande ovatie gaf, was tot slot ook aan de solisten te danken. Bas Krisztián Cser koppelde een lucide dictie aan een complexe maar toch onmiddellijk invoelbare psychologische typering. Sopraan Ildikó Komlósi ontpopte zich evenzeer tot een personage dat haar toekomstig lijden leek te voorvoelen. Ze stevende niet in volle vaart af op haar ondergang, maar leek het bankroet van hun mogelijke geluk reeds vooraf gespiegeld te zien, zonder te kunnen ingaan tegen haar nieuwsgierige natuur. En precies het besef van dit nakende breekpunt maakte de uiteindelijke manifestatie ervan nog dramatischer. Te meer omdat Fischer alle bombarie achter slot en grendel hield. Net zoals de zangers bleek minder doorheen zijn ontknoping meer. Het theater achter de muziek ontvouwde zich zo delicaat als een gefluisterd schaduwspel.

5*

Jan-Jakob Delanoye, Cutting Edge

concert ‘Hertog Blauwbaards burcht’ 18.05.2017